De Egyptische kalender

Het jaar was, net zoals bij ons, verdeeld in 12 maanden. Het verschil was echter dat de maanden uit 30 dagen bestonden. De maand was opgedeeld in 3 weken, één week bestond uit 10 dagen (‘decaden’).

De maanden waren verdeeld in 3 seizoenen. Achet (overstroming) liep ongeveer van half juli tot half november. Peret (opkomst of winter) was het volgende seizoen en liep tot half maart. Dit was het belangrijkste groeiseizoen. Van half maart tot half juli liep het laatste seizoen dat sjemoe (oogst of laag water) heette. In dit seizoen stond de graanoogst centraal.

Op het einde van het seizoen sjemoe werden 5 extra degen toegevoegd om op precies 365 dagen te komen. Deze vijf dagen waren de verjaardagen van Osiris, Seth, Isis, Nephtys en Horus en werden beschouwd als dagen met een slecht voorteken.

De verschijning van Sirius viel maar één keer in de 1460 jaar samen met nieuwjaarsdag omdat de Egyptenaren 6 uur per jaar vergaten. Dit verschijnsel is vastgesteld op 139 na Christus. Omdat ook de 30 daagse maand niet samenviel met de maandcyclus werden de feesten vastgesteld door middel van de observatie van de maan.

De dag bestond uit 24 uur en bestond uit 12 uur nacht en 12 uur dag. Het meten van de tijd werd gedaan door middel van een schaalverdeling in een schaal met water van waar uit water druppelde.